Taal en Rekenen
Sinds augustus 2010 zijn de Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in de wet verankerd. In het referentiekader wordt heel precies omschreven wat leerlingen moeten kennen en kunnen op het gebied van de basisvaardigheden in de verschillende fasen van hun schoolloopbaan. De referentieniveaus zijn bedoeld om een impuls te geven aan het taal- en rekenbeleid op scholen om het niveau van deze basisvaardigheden te verhogen én om de overgangen tussen de verschillende onderwijssectoren te versoepelen. Ook de overgang tussen po en vo!
Met het Overdrachtsmodel taal en rekenen beoogt KPC Groep individuele scholen en samenwerkingsverbanden in de regio met scholen voor po en vo te ondersteunen bij het verbeteren van de overdracht en het vormgeven van doorlopende leerlijnen voor taal en rekenen. Het biedt een structuur, een inhoudelijke agenda en procesondersteuning voor het overleg tussen PO en VO. Daarnaast helpt het het bestaand overleg te structureren.
Want uit onderzoek blijkt dat de soepele overgang tussen het po en vo aandacht behoeft. Zo geeft Gelderblom (2009) aan dat interpretaties van aangeleverde gegevens vaak een probleem vormen. Bovendien gaan volgens Smeets (2007) de gesprekken tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs meestal niet over de leerstofinhoudelijke aansluiting of werkwijze. Uit dit onderzoek blijkt ook dat betrokken partijen ‘ondanks jarenlange contacten en samenwerking vaak nog onvoldoende op de hoogte waren van elkaars manier van werken en van de knelpunten waarmee de anderen bij het uitvoeren van hun taken worden geconfronteerd. Daardoor was onvoldoende helder wat men van elkaar kon verwachten. Ook het bestaan van vooroordelen over en weer vormde een hindernis voor de samenwerking.’ In de mondelinge overdracht ontbreekt een duidelijke structurering en deze is dus zeer persoonsafhankelijk, aldus het rapport van de Onderwijsinspectie (Onderwijsinspectie, 2005). De Inspectie merkt ook op dat het basisonderwijs soms te weinig informatie doorgeeft en het voortgezet onderwijs wordt dan weer verweten dat ze te weinig met de aangeleverde info doen. Zowel de aard, omvang als het gebruik van de informatie vormt een probleem. Bronneman (e.a., 2002) vat het als volgt samen: ‘Van een systematische samenwerking en wederzijdse afstemming tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs is in het algemeen echter geen sprake.’
Literatuur:
Bronneman-Helmers, H.M., Herweijer, L.J. & Vogels, H.M.G. (2002). Voortgezet onderwijs in de jaren negentig. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Gelderblom, G. (2009). Effectieve rekeninstructie: de sleutel tot rekensucces. NR 3, p.12-15 (van de site www.rekenpilots).
Inspectie van het Onderwijs (2005). Doorgaande zorg en begeleiding. Een inventariserend onderzoek naar verschillende aspecten van de overgang van zorgleerlingen van primair naar voortgezet onderwijs in de regio Oss. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Smeets, E. (2007). Samenwerking tussen primair onderwijs, voortgezet onderwijs, regionale expertisecentra en jeugdzorg. Onderzoek naar innovatie in vijf regio’s. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.
