Verkenningsvragen relatie tussen primair en voortgezet onderwijs

1. Weten de scholen voldoende van elkaar om de overgang van de leerling optimaal te kunnen ondersteunen?

  • Zijn zij inhoudelijk gezien op de hoogte van elkaars visie op leren, doorgaande leerlijnen? Werken zij met methoden die voor beide systemen ontwikkeld zijn?
  • Zijn zij pedagogisch gezien op de hoogte? Is er een soortgelijk pedagogisch klimaat, eenzelfde pedagogische schaal, overeenkomsten in pedagogische visie,  worden soortgelijke pedagogische doelen nagestreefd?
  • Zijn zij relationeel gezien op de hoogte? Is er een even intensieve persoonlijke begeleiding, eenzelfde intensief contact met de ouders van de leerling?
  • Zijn zij didactisch gezien op de hoogte? Is er een soortgelijke wijze van instructie, werkvormen, zelfstandig en/of samenwerkend leren?
  • Zijn zij organisatorisch (cultureel, structureel en qua werkprocessen) gezien op de hoogte? Zijn er overeenkomstige regels, geldende waarden en normen, evenveel ruimte voor participatie, openheid naar de omgeving, een sterk aanpassingsvermogen/adaptief vermogen?
  • Zijn zij qua zorg op de hoogte? Begeleiden dezelfde externe instanties? Wordt er met soortgelijke protocollen gewerkt?

2. Is er voldoende commitment bij alle relevante partijen om de overgang van leerlingen adequaat te faciliteren?

  • Hoe is dit verankerd in de scholen?
  • Hoe is dit zichtbaar?

3. Is voorzien in enige regie en samenwerking?

  • Wie is de regisseur in het overgangstraject?
  • Heeft de regisseur voldoende mandaat om ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen?
  • Welke rol spelen de samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs hierin?
  • Is er een relatie met Passend Onderwijs?