Subsysteem school voortgezet onderwijs

Het gaat hierbij zowel om het voortgezet onderwijs in z’n algemeenheid, c.q. het in een vo-samenwerkingsverband georganiseerde voortgezet onderwijs in de regio, als om de specifieke school voor voortgezet onderwijs die in het geding is.

Kenmerken hebben betrekking op:

  1. De specifieke maatschappelijke en pedagogische opdracht die het voortgezet onderwijs heeft in de ontwikkeling van de jongere en de manier waarop dit systeem daaraan invulling geeft
  2. De manier waarop de pedagogische relatie met de jongere vorm krijgt in het voortgezet onderwijs
  3. De manier waarop het partnerschap met ouders gedefinieerd wordt op de school
  4. De visie van de school op de overgang en de rol die dit systeem zich daarin toebedeelt.

Bepalend voor de mate waarin de overgang geoptimaliseerd is, is de mate waarin primair onderwijs en het voortgezet onderwijs zicht hebben op hun eigen kenmerken en deze communiceren naar de betrokken personen en instanties. Dit komt voor het voortgezet onderwijs tot uitdrukking in:
Het adaptief vermogen van het voortgezet onderwijs

Hoe groter het adaptief vermogen van de school, des te meer krijgt de overgang een dynamisch karakter. De aanpassing hoeft niet alleen meer van de kant van de jongere te komen, maar is ook een zaak van de nieuwe school. Verder is ook hier van belang een goede persoonlijke begeleiding, in algemene zin (bijvoorbeeld door een mentor) of intensief (bijvoorbeeld door een personal coach in het geval van jongeren met een specifiek profiel). Ook hier is veelal een specifieke toerusting van professionals nodig.