Subsysteem relatie primair en voortgezet onderwijs

Afstemming begint met weten hoe het andere onderwijssysteem werkt, met andere woorden met kennis van de kenmerken van het andere systeem. Ken je dat onderwijssysteem, dan kun je erop anticiperen (basisonderwijs) c.q. ermee rekening houden of je eigen handelen er tot op zekere hoogte op afstemmen (voortgezet onderwijs). Bij afstemming kun je denken aan:

  • inhoudelijke afstemming door het werken met doorgaande leerlijnen of door het werken met methoden die voor beide systemen zijn ontwikkeld (bijvoorbeeld Leefstijl voor PO en VO);
  • pedagogisch: een soortgelijke benadering van en de omgang met jongeren (het pedagogisch klimaat), eenzelfde pedagogische schaal, overeenkomsten in pedagogische visie, het nastreven van soortgelijke pedagogische doelen; 
  • relationeel: een even intensieve persoonlijke begeleiding, eenzelfde intensief contact met de ouders van de jongere
  • didactisch: een soortgelijke wijze van instructie, werkvormen, eenzelfde mate waarin jongeren zelfstandig en/of samenwerkend leren;
  • organisatorisch (cultureel, structureel en qua werkprocessen): overeenkomstige regels, geldende waarden en normen, evenveel ruimte voor participatie, eenzelfde openheid naar de omgeving en een sterk aanpassingsvermogen;
  • zorg: een begeleiding van PO en VO door dezelfde externe instanties of het werken met soortgelijke protocollen.

Hoe beter de systemen A en B elkaar kennen, des te gemakkelijker is het te werken aan een versterking van hun anticiperend c.q. adaptief vermogen.
Daarop aansluitend gaat het ook over de wijze waarop ze met elkaar contact onderhouden en vormen van samenwerking aangaan.

In de relatie tussen primair en voortgezet onderwijs denken we niet alleen aan de afzonderlijke scholen en een-op-een relaties, maar ook aan de relaties vanuit de samenwerkingsverbanden van het primair en voortgezet onderwijs.