Subsysteem de leerling

Voor de leerling is het ontwikkelingsperspectief relevant. Daar waar in het onderwijs transitiemomenten aan de orde zijn, is het van belang er zicht op te houden wat dit voor het ontwikkelingsperspectief van de leerling kan betekenen.
Hierbij ligt er in de eerste plaats een rol voor het basisonderwijs. Indien dit een goed zicht heeft op de jongere en zijn ontwikkelperspectief, dan kan het inschatten hoe risicovol een aankomende overgang voor hem is en vervolgens eventueel een aantal interventies inzetten met als doel een betere toerusting van de jongere voor die overgang.

Kenmerken die van belang zijn:

  1. Leeftijd / ontwikkelingsfase. In hoeverre is de leerling in staat autonoom te kiezen voor een systeem en zijn handelen aan te passen aan het systeem?
  2. Zelfbeeld. In hoeverre heeft de jongere een realistisch zelfbeeld of een goed beeld van zijn eigen ontwikkelingsperspectief?
  3. Persoonskenmerken, Met welk gemak past een jongere zich aan aan een nieuwe omgeving en ontstaat er een nieuwe pedagogische relatie?
  4. Motivatie. Hoe stevig is de jongere zijn/haar oriëntatie op de eigen toekomst / de relevantie van participatie in het systeem voor diens eigen ontwikkeling?
  5. Leermogelijkheden / capaciteiten. In hoeverre sluiten de competenties van de leerling aan bij de eisen die het systeem aan hem/haar stelt? Zijn er elementen in het profiel (dyslexie, dyscalculie, ADHD, hoogbegaafdheid, een handicap) die belemmerend werken tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan?
  6. Participatie van de jongere in de overgang tussen primair en voortgezet onderwijs.