Oriënteren op het vervolgonderwijs

Na de basisschool kan een leerling naar het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs), de havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) of het vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs). Het vmbo bestaat nog niet zo lang, het is in de plaats gekomen van het vbo en de mavo.

Voor leerlingen die het niet redden op het vmbo is er het praktijkonderwijs. Er bestaan geen mlk-scholen (voor moeilijk lerende kinderen) en lom-scholen (voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden) meer. Leerlingen die extra zorg nodig hebben, krijgen dat op hun eigen school. Dat heet leerwegondersteunend onderwijs. Sommige vmbo-scholen hebben daarvoor een aparte afdeling, waar leerlingen les krijgen in kleinere groepen.

Soms kan een vmbo-school het verstandig vinden een leerling voor korte of langere tijd in een aparte setting te plaatsen. Dit kan zijn een OPDC, een Orthopedagogisch Didactisch centrum. In een OPDC werkt men in kleine groepen met extra deskundig personeel. Is er geen OPDC, dan werkt men soms met kleine zorggroepen.

Vo-scholen kunnen openbaar zijn, bijzonder, of een religieuze grondslag hebben (bijvoorbeeld katholiek, christelijk of islamitisch). Sommige scholen hebben speciale pedagogische opvattingen. Binnen het voortgezet onderwijs bestaan Montessorischolen, Daltonscholen, Jenaplanscholen en Vrije Scholen. Kijk voor meer uitleg over alle verschillende soorten vo-scholen op de website oudersvo.kennisnet.nl.